De Punter


Veel op- en aanmerkingen hebben betrekking op het sprietzeil, dat onhandig zou zijn of niet goed zou willen staan, of weet ik veel. Bij het punterwezen geldt dit als lariekoek. Inderdaad, met een sprietzeil moet je leren omspringen, maar het heeft allerlei voordelen die opwegen tegen het feit dat het niet zo vlot te behandelen is als een modern torentuigje. Bedenk dat een punter er juist op berekend is om op verschillende manieren te worden voortbewogen. De relatief korte mast van het spriettuig kan gemakkelijk worden geplaatst en weer weggenomen; het zeil kan tegen de mast aan worden gerold en kan zo weer worden gezet, en in noodgevallen kun je door de spriet weg te nemen het zeiloppervlak in één klap met de helft verkleinen.
Bij het zetten van het sprietzeil wil het nog wel eens voorkomen dat het oogje aan de nok van het zeil weer van de spriet affloept. Dit kan gemakkelijk worden tegengegaan door tijdens het opduwen van de spriet ofwel het bovenlijk van het zeil strak te houden, ofwel het achterlijk tegen de spriet aan onder spanning te houden. De Zuiderzeevissers borgden de nok wel eens met een korte gaarde aan de spriet. Als de spriet voldoende omhoog is gebracht, wordt hij met zijn dikke ondereind in de strop gehangen. Veel mensen hebben er moeite mee dat die strop dan gedurig zakt, zodat er plooien in het zeil vallen. Dit komt doordat die strop clan niet van tevoren is behandeld met wat ik voorheen wel eens krimpwater heb genoemd: door de strop (of de mast boven de strop) nat te maken krimpt het touw en snoert het zich strak om de mast. In verband hiermee hoort een puntermast ook eigenlijk niet gelakt te zijn.
De strop maakt het mogelijk het zeil op verschillende standen te zetten. Bij veel wind, eventueel bij gereefd zeil, dient de spriet te zakken, bij weinig wind - vooral tussen begroeide oevers - moet hij juist meer naar boven. De knop op de mast voorkomt dat de ring waaraan de hijs van het zeil is bevestigd, over de top heen kan schieten. De strop moet overigens zo lang zijn dat de spriet behoorlijk ruimte heeft om van de mast te wijken als hij aan de lijzijde van her zeil zit; je krijgt dan niet, althans veel minder, dat hij in het zeil drukt, wat terecht zo lelijk en ongunstig wordt gevonden.
Gaat het zeilen met een Gieterse punter dus heel aardig, het gaat werkelijk uitstekend met de punters die van de oude zeepunters zijn afgeleid. Dit komt door hun achterlijker geplaatste mast, waardoor er een fok gevoerd kan worden (op een Gieterse punter hoort die eigenlijk niet thuis) en door hun hogere boeisels. Deze vooral maken de zeilpunters heel wat mans. Forse, invallende boeisels zijn kenmerkend voor allerlei zeewaardige platbodems, zoals hoogaarzen, zeeschouwen en schokkers, en ze zijn voor de zeileigenschappen dan ook van veel belang. Dank zij deze onderdelen kan er een mechanisme in werking treden dat door de vissers werd gekarakteriseerd met de formule `de kant is de boord'. Wat werd hiermee precies bedoeld ?
Daar een zeepunter onder volslagen tuig wordt gevaren, kan het schip sterk gaan hellen; op een gegeven moment kan een stand bereikt worden waarbij de eigenlijk schuin omhooglopende zijde haast horizontaal door het water gaat, met andere woorden tijdelijk de functie van bodem krijgt. Het boeisel (de `boord') neemt dan het waterkerende werk van de zijde (de `kant') over, terwijl de gehele rest van het schip als tegenwicht fungeert bij een - door de helling - sterk verkleind zeiloppervlak. De slagzij zal dan niet gauw nog meer toenemen, terwijl de overlangs gebogen zijde dan heel gemakkelijk (scow-achtig) door het water sliert, zodat het schip een aanmerkelijke snelheid krijgt.
Een beroepsschipper zal dit veiligheidsmechanisme niet bij voorkeur langdurig benutten, maar als jongens vonden wij het kantje-boord-gebeuren buitengewoon vermakelijk, te meer daar schoot vieren bij ons in een kwade reuk stond. Als knapen van een jaar of elf waren we pas tevreden wanneer de `Zwarte Beer' zo schuin ging dat we het loefzwaard niet meer behoefden op te halen - het hing toch boven water! We hebben toen natuurlijk menigmaal water geschept, maar we hebben het er levend afgebracht en ondertussen hebben we door onze doldrieste avonturen de mogelijkheden van de punter goed leren kennen.

Gait Berk